Informatie

Dorien Knockaert

Posts tagged vegetarisch

13713006343_38cc457531_o
Als ze dan komt, komt de culinaire perfectie hier doorgaans wanneer ze voor niemand belangrijk is. Zo kookte ik op een keer minestrone voor een groep vrienden in een vakantiehuis. Op het moment dat ik dacht dat we zouden eten, verdwenen ze allemaal uit beeld om hun kinderen in bed te steken. Een karwei dat, zo leerde ik toen, met gemak een uur in beslag neemt.
Geen stress, ik stond in een stille keuken met een grote pot dampende maaltijdsoep. De soep was klaar, ik moest ze alleen nog wat op smaak brengen. Daar hield ik me een uurtje mee zoet. Wat zout, wat olie, wat basilicum, een klein scheutje wijn en nog eens proeven. Opnieuw en opnieuw. Het resultaat herinner ik me als een perfecte minestrone. Al kan het ook zijn dat we gewoon euforisch waren omdat we, ondanks de babyfoons, eindelijk rustig aan tafel konden.
Minestrone is altijd een gebeurtenis. Er gaan zoveel bonen, groenten en pastaschelpjes in, en hun som is altijd massaler dan je had verwacht. Het is uitdeelsoep, soep waaraan je iets beleeft. Soep waarmee je naar een vriendin fietst of die je opdringt aan de buurvrouw. Of soep waar je een week van eet. Zo komt het dat ik me haast al mijn minestrone’s gedetailleerd herinner: die ene die net wat te veel broccoli had, die andere met geroosterde tomaten (lekker), de dikke zomerminestrone die we aan de kleuters probeerden te slijten door te zeggen dat het pasta was (met succes). En nooit vergeet ik de megaminestrone die ik meenam naar een parkmarktje om gratis te verdelen – op een haar na werd ik gebulldozerd door een hongerige meute.
Die van het vakantiehuis was de enige perfecte. Maar eigenlijk hoort minestrone niet perfect te zijn. Ze hoort vol te zitten, een ode te zijn aan het seizoen, en een opkikker.
Voorts hoor je weleens strenge meningen over wat een minestrone is en wat niet. Het was lekkere soep maar het was geen échte minestrone. Een opvallend fenomeen bij bereidingen met een exotische naam. Niemand zal ooit beweren dat preisoep geen échte preisoep is, of gehaktbrood geen écht gehaktbrood.
Van minestrone mag elk zijn eigen definitie maken. De mooiste die ik ken, staat in het kookboek How to Cook a Wolf van M.F.K Fisher. ‘Waarschijnlijk de meest bevredigende soep ter wereld voor mensen die honger hebben, en ook voor mensen die moe of bezorgd of boos of blut of enigszins bezeerd zijn, of verliefd of kerngezond of verwikkeld in allerlei affaires,’ schrijft ze, ‘dat is minestrone.’

MINESTRONE VOOR ALTIJD
Voor een grote pot:
2 uien, 2 stengels selderij, 1 wortel, 3 tenen knoflook, allemaal fijngesneden
1 flinke handvol loof (paksoi, snijbiet, bietenloof, raapsteeltjes of spinazie)
1/2 koffielepel gerookt paprikapoeder
1/2 spitskool of broccoli
1 eetlepel tomatenpuree
1,5 l bouillon
1 stuk korst van parmezaan (als je het in huis hebt)
1 flinke handvol middelgrote pastavormpjes
ongeveer 200 g gekookte witte bonen (blik is oké)
Parmezaanse kaas en/of pesto
olijfolie, peper, zout
Lekkere extra groenten, naargelang het seizoen: venkel, courgette, verse tomaten, andijvie

1. Fruit de uien, selderij en wortel in een grote, zware pot in hete olijfolie. Temper na een halve minuut het vuur en voeg de knoflook, het paprikapoeder en een snuf zout toe (en naar wens nog extra kruiden zoals oregano, tijm, salie enzovoort). Laat alles zacht garen terwijl je de andere ingrediënten klaarmaakt.
2. Snijd de steeltjes van het loof los, hak ze fijn en voeg ze meteen toe aan het sudderende uienmengsel. Snipper de blaadjes en houd ze opzij. Snijd de kool of broccoli in kleine stukjes, en eventuele andere groenten die je straks wilt toevoegen.
3. Duw het uienmengsel wat opzij in de pan, voeg de tomatenpuree toe en laat hem een minuutje bakken.
4. Voeg de bouillon toe, samen met de kaaskorst. Breng aan de kook en voeg de pasta toe. Breng opnieuw aan de kook en voeg de bonen toe. Voeg, als de pasta bijna gaar is, één na één de andere groenten toe, met als laatste de blaadjes van het loof (telkens tussendoor opnieuw naar het kookpunt gaan).
5. Breng de soep op smaak met peper, zout en olijfolie. Serveer ze met in elke kom een eetlepel pesto en/of parmezaan.


Dit stukje verscheen eerder in de rubriek De Keukenprinses in De Standaard Magazine

14028603172_12ba563c59_o

De gestoofde courgettes met boekweitnoedels die ik begin deze week al aankondigde, smaakten zo door en door goed dat ik dacht: ik maak er nog wat reclame voor. ’t Is haast te simpel om een recept te zijn. Maar misschien zijn dat wel de beste recepten.
Boekweitnoedels hebben ook een hippere naam: sobanoedels. Je vindt ze in het Aziatische rek in de supermarkt, of in de biowinkel. Ze worden tegenwoordig populairder omdat veel mensen op zoek zijn naar alternatieven voor tarweproducten. Zelf verdraag ik tarwe goed, maar het lijkt me logisch dat het niet zo’n goed idee is om pakweg de helft van je dieet uit geraffineerde tarweproducten zoals licht brood en witte pasta te laten bestaan. Voeding wordt dan vulling en alles wordt saai.
Boekweit- of sobanoedels zijn in veel recepten een leuk alternatief voor spaghetti. Ze bevatten vaak nog voor de helft tarwe. Je vindt er ook die uitsluitend boekweit bevatten, maar die verpappen wel makkelijker wanneer je ze kookt.
De courgettes waren onze eerste van het jaar. In de tuin is het er nog veel te vroeg voor, maar in de kas van de bioboer kan het al, allicht met dank aan de snelle lente.

Gestoofde courgettes met boekweitnoedels
Per persoon:
1 sjalot/klein uitje
1 teen knoflook, gehakt
klein takje rozemarijn
1 courgette (een veeleer kleine), in duimdikke stukken (of een ander formaat waar je zin in hebt)
70 tot 100 g boekweitnoedels (naargelang de honger)
takje munt
Parmezaanse kaas of iets gelijkaardigs
olijfolie, (chili)peper, zout

1. Maak eerst het courgettestoofpotje. Fruit de ui in hete olijfolie, temper na een halve minuut het vuur, voeg de knoflook en de rozemarijn toe en laat alles een tiental minuten zacht worden.
2. Draai het vuur onder de ui weer open, voeg de courgette toe, roerbak alles een minuutje zodat de courgette hier en daar goudbruin kleurt. Strooi zout op de courgette, temper het vuur, dek de pan af en laat de courgettes boterzacht worden, in een kwartier tot een halfuur (ik heb graag courgettes die echt comateus gestoofd zijn en ga dus voor een halfuur).
3. Kook de noedels gaar volgens de instructies op de verpakking.
4. Schep de noedels door het courgettestoofpotje. Breng alles op smaak met peper, zout en misschien nog een scheutje lekkere olijfolie. Serveer het met parmezaan en gesnipperde munt.

Timing:
Je kunt het courgettestoofpotje gerust tot twee dagen op voorhand maken. Of langer op voorhand, en bewaren in de diepvriezer.

Nu het groenteboek goed en wel is afgewerkt en gelanceerd, kan de rust terugkeren in mijn keuken. Ze komt als geroepen.
De boer bepaalt in het weekend welke groenten we van hem krijgen. Op maandag levert hij ze in het afhaalpunt van ons voedselteam. Daarna kan het koken beginnen.
Weekkoken.
Weekkoken is niet: cannelloni of pizza of een groentetaart maken. Dat is voor het weekend. Weekkoken is wel: groenten bereiden tot ze lekker zijn, een dag of drie bewaren en een goede bouwsteen vormen voor een middag- of avondmaal, vandaag, morgen of overmorgen.
Het liefst bereid ik op maandag- of dinsdagavond gewoon alle groenten in één keer.
Dan zegt een zorgzame stem in mijn hoofd: ge zijt toch weeral efkes gesteld.

13974385265_32db5955c1_o
Vandaag was dit het uitgangspunt. En twee uur koken later – intussen holde ik ook even naar de winkel om sinaasappels, hield ik de afwas bij en gaf ik mijn tuin te drinken van al het groentespoelwater uit de slazwierder – was dit het resultaat:

weekmenu
– De courgettes waren de eerste van het jaar en ik wou ze klaarmaken op de oermanier, de manier waarop courgettes ooit in mijn leven kwamen: platgestoofd in olijfolie met wat knoflook en rozemarijn. Blijft nog makkelijk goed tot vrijdag, en ik denk dat ik er boekweitnoedels en parmezaan bij ga eten, misschien met wat tomatenpassata. Of ik schep het hele stoofsel op een toast met mozzarella en basilicum. (Helemaal aan het eind van de kooktijd roerde ik er de steeltjes van de radijzen door, niet dat die veel betekenen voor de smaak, ’t is dat ik er ergens mee moest blijven.)
– De prei kreeg mijn favoriete preibehandeling van het moment: dit recept, maar dan zonder de risotto. Ik denk dat ik mijn prei deze week met wat linzen ga eten, of een gebakken ei, of allebei.
– Het preigroen sneed ik in stukken en zette ik op in een grote pot water, samen met wat kruiden en groenterestjes van afgelopen week: uiteinden van venkelstelen, peterseliesteeltjes, champignonsteeltjes, een verdroogd teentje look en een halve ui. Dik halfuur sudderen, daarna zeven en zouten. Lekkere bouillon voor een snelle soep (bvb met overschot van de ovenprei) of risotto, of om linzen in te koken.
– De bloemkool kreeg mijn favoriete bloemkoolbehandeling van het moment. Zo makkelijk en zo lekker. Ik denk dat ik hem morgen ga opeten met een restje rijst en een restje linzen van deze middag.
– De sla en de helft van de lente-uitjes kregen gewoon een fris bad. Dat wordt lekker lunchen met een hardgekookt eitje en mayonaise. Of met walnoten, rozijnen, vinaigrette en belegen kaas.
– De radijzen en de lente-uitjes herinnerden me aan een recept uit Green Box dat ik allang eens wou proberen, voor gemarineerde radijsjes met gebakken tempé. Ik kookte er snel in de drukkookpan basmatirijst bij en voilà, dat was al één volledige maaltijd. Het perfecte avondeten voor een vrouw die, moegekookt, nog even een verkwikkend hapje wil eten op haar terras.
Daarna maakte ik met een verwaarloosde knolselder van vorige week nog een pot chutney, voor later. Vooruitkoken, ik word daar zo gerust van.

13975593664_d3713fbc05_o
Lauwe salade van radijs, gembervinaigrette en gelakte tempé
(ook lekker zonder de tempé, als bijgerecht)

(Vrij naar een recept uit Green Box van Tim Mälzer)
Hoofdgerecht voor 2 personen, met basmatirijst erbij:
ca. 5 g verse gember, gehakt
2 el suiker
8 el sojasaus (3 voor de vinaigrette en 5 voor de marinade)
naar smaak: zout, witte wijnazijn en sesamolie (ik gebruikte er van niet-geroosterde sesam, neem anders een combinatie van geroosterde-sesamolie en neutralere olie)
knolletjes van 2 bosjes radijzen, in dunne plakken
200 g tempé (1 rolletje), in kleine blokjes
sap van 1 sinaasappel1 el vloeibare honing
1 bosje lente-uitjes, fijngesneden

1. Maak eerst de vinaigrette voor de radijzen: meng de gember met de suiker en 3 el sojasaus. Breng op smaak met sesamolie, azijn en misschien nog wat zout. De azijn mag stevig weerwerk bieden aan de sojasaus. Roer er de radijzen door en zet ze opzij.
2. Maak de marinade voor de tempé klaar: roer de overige 5 el sojasaus met de honing door het sinaasappelsap.
3. Verhit een laagje olie in een grote pan en bak de tempéblokjes goudbruin en krokant. Laat ze even uitlekken op een stuk keukenpapier. Veeg de resterende olie uit de pan. Schep de tempé weer in de pan, giet er de marinade over en laat die inkoken tot ze een stroperig jasje rond de tempéblokjes vormt.
4. Schep de radijzen uit de vinaigrette en leg ze op een schaal. Verdeel er de tempéblokjes en de lente-uitjes over. Serveer in een apart kommetje de resterende vinaigrette. Lekker met basmatirijst. ’s Zomers waarschijnlijk ook heel lekker met verse koriander.

iphone 1062

‘Dat de menselijke geest nog goud kan vinden als de nood het hoogst is.’ Dat staat in het voorwoord van Koken in Moeilijke Tijden, een onopvallend boekje dat ik een tijd geleden kocht in Amsterdam. Het is een parel: een reproductie van het oorlogskookboek dat de vrienden en vriendinnen van de Amsterdamse Antonia Boelen voor haar bijeenschreven ter gelegenheid van haar huwelijk in 1944. Ze lardeerden het met grappige tekeningetjes en knipogen, en achteraf heeft de dochter van Antonia er een handvol ontroerende dagboeknotities en herinneringen aan toegevoegd.
Antonia Boelen was een onverschrokken vrouw, haar huis was tijdens de oorlog een onderduikadres. Ook haar vriendinnen waren actief in het verzet. En hun recepten? Geïnspireerd, ruimdenkend,maar evenzeer vastbesloten om het dessert er niet bij te laten inschieten. Kortom, de menselijke geest op zijn best.

iphone 1064

‘Nasi-goreng in oorlogstijd is heel goed te maken met gort – goed droog gekookte Alkmaarsche gort of parelgort – of van in kleine vierkantjes gesneden aardappels, die vooraf niet helemaal gaar gekookt zijn. Opbakken in olie of vet of spekvet met nasi-goreng-kruiden – die je hier nog klaargemaakt kan krijgen -, of met kerrie en garnalen, in ieder geval met veel uien. Heb je geen kerrie, dan maak je het maar rood met paprika en doet er wat gemberpoeder door. Heb je geen garnalen, dan neem je sardientjes – heerlijk – anders maar in godsnaam gedroogde garnalen – die beruchte, waar Dinsdags en Vrijdags het Chineesche restaurant naar stinkt. Maar goed geweekt en gekookt en dan opgebakken met kruiden en wok-oestersaus gaan ze best!’

Er staat een uienschotel in het boekje waarvoor Antonia eerst twaalf grote uien moest snijden (uithuilen) en ze daarna anderhalf uur op de kachel moest laten garen (bekomen). Er is gehakt van bruine bonen en er zijn gevulde tomaten met havermout. Maar ook een kruisbessentaart genaamd ‘stikkelbeer-grot’, en ‘hemelspijs’, een rijstdessert met citroen dat in staat lijkt om zelfs de allerdonkerste dagen te verlichten.
Aan alle mensen die door moeilijke tijden moeten, wens ik even gloedvolle goudaders toe. Of toch even goede vrienden en vriendinnen. Al is dat in feite hetzelfde.

iphone 1065

Zelf maakte ik laatst de ‘topinanbourschotel’. Aardpeergratin, zouden we vandaag zeggen. Maar voorts was het een verrassend eigentijds gerecht.

Topinanbourschotel
Schil en kook 1 kilo topinanbour.
Schil en kook 1 kilo aardappelen. Snijd de aardappelen in plakjes en bak ze even.
Leg in een vuur vaste schaal de in plakjes gesneden topinanbour, de aardappelen en de geraspte kaas. Giet daarover heen een kopje melk en laat het in de oven gaar stoven.
In een echte oven hoef je de knollen waarschijnlijk van te voren niet te koken, maar in onze wel.

Ik sneed aardperen en aardappelen in dunne plakken, spoelde ze af en stoofde ze met wat zout en olijfolie, in een afgedekte pan op een laag vuur, zodat ze beetgaar werden in hun eigen stoom. Daarna gingen ze een kwartiertje de oven in met een zuinig beetje geraspte comté en room erdoor. Houd je in met de vette toevoegingen, de aardperen hebben van nature al veel smaak en je wilt geen baksteen op je maag.

‘Koken in moeilijke tijden’ is te koop in (de webshop van) de Athenaeum Boekhandel, Amsterdams mooiste.

iphone 1060


Een licht verschillende versie van dit stukje verscheen eerder in de rubriek De Keukenprinses in De Standaard Magazine.

13677337575_4aeab404a0_o
Voor de tweede lente op rij wordt mijn nog kale begin-apriltuin elke dag wat meer gevuld door dit plantje. Look-zonder-look, leerde ik vorig jaar al. En dat het eetbaar is. Het is geen familie van de knoflook, maar het smaakt er wel naar. En ook wat mosterdachtig.
Onkruid eten, superleuk natuurlijk, in theorie. Ik schoof het voor me uit.

13678551565_06a4cb032e_o
In november, toen het onkruid in mijn tuin al was geweken voor allerlei groenten en zomerbloemen, kreeg ik de kans om op plukwandeling te gaan met de Deense topkok René Redzepi, boegbeeld van de wildplukgastronomie. We trokken op speurtocht in het Amsterdamse Vondelpark en verbaasden ons erover dat je zelfs daar, in de herfst, zoveel eetbaars aantreft. Er stond ook nog een klein beetje look-zonder-look. ‘De bloemknoppen zijn heerlijk in de lente’, zei Redzepi. En ik schaamde mij omdat ik ze niet eens had geproefd.

13677315995_83b9ee6c16_o
Nu zijn ze terug. Ik heb er vandaag spaghetti mee gemaakt. Een heel gewone spaghetti. Tot de wildernis erbij gaat, natuurlijk. Ah, zoveel plezier, gratis en voor niks en in een kwartier gefikst.

Look-zonder-look is ‘vrij algemeen te vinden in bosachtige omgevingen, parken en plantsoenen’, lees ik in Het Grote Wildplukboek van Edwin Florès. De planten kunnen 15 tot 120 cm groot zijn, vertelt Alys Fowler in The Thrifty Forager, en ze zoeken graag wat schaduw op.
Hoewel er deze tijd van het jaar nog veel open ruimte is in mijn tuin, groeit de look-zonder-look steevast vlak tegen de muur of vlak tegen een andere plant. ‘It basically likes to hug something’, schrijft Fowler. Een roerende eigenschap om een plantje aan te herkennen.

Spaghetti met broccoli, gemarineerde tomaatjes, plukpesto en bloemen

Voor 4 personen, hoofdgerecht:
de pesto:
ca. 50 g blaadjes van look-zonder-look (kies de teerste blaadjes)
ca. 50 g rucola
ca 50 g blaadjes van Oost-Indische kers
> allemaal inwisselbaar met andere blaadjes zoals platte peterselie, basilicum, postelein, daslook… ik voegde vandaag ook een heel klein restje spinazie toe dat nog in onze tuin stond
50 g noten (ik gebruikte 25 g geroosterde amandelen en 25 g pistaches)
peper, zout, olijfolie, notenolie (ik gebruikte ook een beetje hennepolie)

de rest:
400 g spaghetti
2 teentjes knoflook
200 g gemarineerde tomaatjes (halfgedroogde/gekonfijte), uitgelekt en klein gesneden
kleine roosjes van 1 broccoli (houd de steeltjes voor iets anders)
Parmezaanse kaas
Handvol bloemetjes en bloemknopjes van look-zonder-look
Handvol bloemen van Oost-Indische kers
Lekker kruidige olijfolie

1. Maak eerst de pesto. Hak in een keukenmachine de noten fijn en voeg de blaadjes toe, met een scheut olijfolie en een snuf peper en zout. Mix alles tot een gladde saus. Breng op smaak met peper, zout en smakelijke olie (olijfolie, notenolie, hennepolie… volgens beschikbaarheid en smaak). Als je geen lookachtige blaadjes gebruikt, kun je wat geperste knoflook toevoegen.
2. Breng een grote pot water aan de kook, voeg zout toe en kook er de spaghetti beetgaar in.
3. Verwarm intussen in een grote pan een scheut olijfolie en de tomaatjes. Als de spaghetti bijna gaar is, voeg je de broccoli toe aan de tomaatjes, draai je het vuur heter en schep je de spaghetti op de broccoli, samen met nog enkele scheppen kookvocht. Roer om tot de broccoli beetgaar is.
4. Haal de pan van het vuur en roer naar smaak pesto door de spaghetti (je zult misschien nog wat pesto overhebben, die is morgen lekker in de soep, of je kunt hem invriezen). Breng de spaghetti op smaak met kaas, peper en zout. Voeg extra kookvocht toe als je alles wat gladder wilt hebben.
5. Schep in elk bord wat van de spaghetti. Sprenkel er een klein beetje extra olijfolie over en werk de borden af met de bloemen. (Als de bloemen van Oost-Indische kers je wat te theatraal zijn, dan kun je er mooie oranje snippers van maken)

13609658785_6ccddf556c_o

Vandaag voelde ik mij een echte journalist: met een steeds voller schrift doorkruiste ik het land. Ah. Leuk. Het zijn de mooiste dagen.
Ik ga dan zo op in mijn roadtrip dat ik vergeet dat ik moet eten. Scheurende honger, tankstationbroodjes: op een schuldbewuste manier draagt dat bij tot de romantiek van het onderweg zijn. Maar ik wou het vandaag toch eens anders proberen.
Voor ik vertrok rekende ik snel uit waar ik tijd zou hebben om een eetpauze te nemen. Bingo, Gent. Even hengelen naar een strategisch gelegen lunchadres – dank u, Ilse! – en jawel, ’s middags zat ik netjes met mes en vork in De Walrus, waar ik voor 10 euro een dagschotel kreeg zoals je ze alleen in Gent kunt krijgen: groenten op vier manieren, een grote schep rijst, één en al zorgzaamheid, ik vind dat zo’n verademing.
Omdat het een heel lange dag zou worden, had ik ook een knapzak meegenomen (het was eigenlijk een tiffin, geen knapzak, maar dat klinkt weer zo snobistisch). Keuze genoeg, want ik had gisterenavond nog gekookt na het eten. Op een of andere manier werkt dat het best voor mij: na het eten pas koken. Voor het eten heb ik te veel honger.
Na het eten koken lijkt disfunctioneel, maar eigenlijk is het geen probleem, zeker niet als je het consequent zou doen. Er zijn zoveel bereidingen die alleen maar lekkerder worden van een nachtje wachten. Zoals deze bloemkool op z’n Catalaans.
Wat is er Catalaans aan? Ik kan het niet zeggen, maar het is gebaseerd op dit recept en dat vond ik door cauliflower catalan te googelen. Ik had in Catalonië op de markten veel mooie bloemkolen zien liggen en was nieuwsgierig.
Ook stonden er gisterenavond gekookte bonen in de koelkast die dringend op moesten. Die wou ik eens op z’n Grieks bereiden: met tomatensaus en olijfolie in de oven.
Toevallig passen de bloemkool en de bonen heel goed bij elkaar. Maak er nog een groene salade bij en je hebt fijn avondeten voor weinig moeite. Of neem ze mee naar een picknick, met wat olijven en Frans brood. Doordat het twee gerechten zijn die je tijdens het bereiden door en door verhit, zijn ze niet al te vatbaar voor bederf en houden ze het wel even uit in een warme fietstas of auto.

Bloemkool op z’n Catalaans (om op voorhand te maken)
Voor zeker 4 personen:
1 kleine bloemkool, in kleine roosjes en stukjes (het stammetje en de steeltjes mogen gewoon meedoen)
1 ui, gesnipperd
70 g pijnboompitten (probeer het ook eens met zonnebloempitten, die zijn veel goedkoper)
70 g rozijnen (gehakt als het er grote zijn)
4 el balsamicoazijn
120 ml olijfolie (als je voor je gezondheid minder vet moet eten, kun je hier wel wat op beknibbelen, schat ik)
1 laurierblad
zout naar smaak

1. Verwarm de oven voor tot 180°.
2. Meng alle ingrediënten in een grote hittebestendige kom. Ze mogen opeengepakt liggen, want de bedoeling is niet dat je de bloemkool roostert, wel dat hij gaart in zijn marinade.
3. Zet de bloemkool voor ongeveer 40 minuten in de oven, tot hij beetgaar is (hij mag echt nog stevig zijn). Schep halverwege alles eens om.
4. Laat de bloemkool nog minstens enkele uren rusten, zodat de smaken versmelten (toen hij pas uit de oven kwam, vond ik de combinatie nog niet zo geslaagd). Serveer warm, koud of op kamertemperatuur, als salade, bijgerecht of tapa.

Bonen op z’n Grieks
Voor zeker 4 personen:
Enkele koppen gekookte witte bonen
Ca. 500 ml tomatensaus volgens favoriet recept (wil je extra verwijzingen naar Griekenland, doe er dan veel oregano in en een beetje kaneel)
olijfolie
Lekkere extra: verse dille en/of verkruimelde feta

1. Verwarm de oven voor tot 180°. Meng de bonen met de tomatensaus in een grote platte ovenschaal. Roer er een scheut olijfolie door.
2. Zet de schaal voor ongeveer drie kwartier in de oven, tot de saus mooi is ingedikt, de bonen extra smaak hebben opgenomen en je aan de randen en de bovenkant hier en daar droge en aangebakken stukjes krijgt (geen aangebrande stukjes). Schep alles om. Serveer warm of op kamertemperatuur, met verse dille en/of feta als je daar zin in hebt.

blog 009

Voor zes uur ’s avonds puur plantaardig eten. Daarna eten wat je wilt. Dat is de simpele vuistregel genaamd Vegan Before 6.
Klinkt halfslachtig?
Halfslachtigheid wordt soms onderschat, vind ik. Neem nu al die gevallen waarin een radicale verbetering niet wil lukken. Dat is een halfslachtige verbetering toch interessant.

Het is misschien toffer om uit te pakken met de goede voornemens die je moeiteloos waarmaakt. Al jaren geen vliegvakanties meer. Een jaar geen nieuwe kleren gekocht. Hoe dieptragisch voor mij dat ik alleen een kookblog heb en dus niet uitvoerig verslag kan uitbrengen van die successen. Hier zou ik alleen kunnen schrijven: goed nieuws over mijn ruggengraat: ik heb een halfjaar geen kaas gegeten! Alleen zou het niet waar zijn. Ik krijg het niet voor mekaar. Ik betwijfel of het wel te rijmen valt met mijn werk als culinair journalist, maar ook als ik pakweg pianiste zou zijn, dan zou het misschien niet lukken.

Dus voel ik mij aangesproken door het idee van Vegan Before 6. Het komt van Mark Bittman, die ook culinair journalist is, voor de New York Times. Hij heeft er een boekje over geschreven.
Mark Bittman koos zijn vuistregel nadat hij tot de orde was geroepen door zijn dokter, die te veel voortekenen zag van een hartkwaal. De dokter zei: word veganist. Bittman dacht: lukt nooit, met mijn werk (en mijn eetlust). Hij gooide het op een akkoordje met zichzelf: tot het avondeten alleen plantaardig, ongeraffineerd eten, daarna vrijheid (vegan and unprocessed before 6 dus, maar dat bekt minder goed). Het werkte voor hem. Hij viel af, werd fitter en leerde zichzelf een heleboel gezonde gewoonten aan, die na zes uur ’s avonds niet zomaar verdwenen. Vegan Before 6 betekent namelijk niet dat je na zes uur zoveel mogelijk biefstuk in roomsaus moet eten.

Zelf probeerde ik het eind vorig jaar al een paar weken uit. Het was een plezierige uitdaging in de keuken en deed mij iets meer plannen, wat het evenwicht in ons eten doorgaans ten goede komt (zie ook: groentenabonnementen).
Daarna kwamen de feesten. Daarna had ik dringend een boek af te werken. Daarna ging ik drie weken op vakantie.
Nu begin ik opnieuw. Omdat het hier in mijn doordeweekse routine en kleine luie gewoontes nog wel een beetje plantaardiger en ongeraffineerder mag. De planeet draagt sinds mijn vakantie een paar kilo’s Dorien die op z’n vriendelijkst gezegd volstrekt misbaar zijn. Maar eigenlijk wil ik vooral de milieu-impact van mijn eten verkleinen.
Een gezond lijf op een gezonde planeet, dat ideaal. En voor morgen: een grote pot soep.

Witloofsoep met witte bonen
Voor een grote pot:
400 g gekookte witte bonen (ik kook ze graag zelf, maar je kunt ook blikbonen gebruiken)
2 kleine uien, gesnipperd
4 stronkjes witloof
ca. 1,5 l hete bouillon
zout, olijfolie
leuke extra voor de afwerking: een stronkje roodlof of radicchio

1. Verhit een laagje olie in een grote zware soeppot, roer er de uien door, temper het vuur en laat de uien zachtjes glazig worden terwijl je het witloof in dunne reepjes snijdt (de harde kern kun je ook gerbruiken). In dit stadium kun je ook wat tijm, rozemarijn, gerookt paprikapoeder of nog iets anders toevoegen aan de uien, maar als je goede bouillon hebt, is het niet nodig, vind ik.
2. Draai het vuur heter en roer het witloof door de uien. Temper na een halve minuut het vuur weer en laat de groenten samen minstens tien minuten garen, terwijl je af en toe roert. Proef van het witloof: als het lekker gaar is en een beetje zoet begint te smaken, voeg dan de bouillon en de bonen toe.
3. Breng de soep weer even naar het kookpunt. Laat hem minstens enkele minuten sudderen. Breng hem op smaak. Klaar.