Info

Dorien Knockaert

Posts from the soep Category

13713006343_38cc457531_o
Als ze dan komt, komt de culinaire perfectie hier doorgaans wanneer ze voor niemand belangrijk is. Zo kookte ik op een keer minestrone voor een groep vrienden in een vakantiehuis. Op het moment dat ik dacht dat we zouden eten, verdwenen ze allemaal uit beeld om hun kinderen in bed te steken. Een karwei dat, zo leerde ik toen, met gemak een uur in beslag neemt.
Geen stress, ik stond in een stille keuken met een grote pot dampende maaltijdsoep. De soep was klaar, ik moest ze alleen nog wat op smaak brengen. Daar hield ik me een uurtje mee zoet. Wat zout, wat olie, wat basilicum, een klein scheutje wijn en nog eens proeven. Opnieuw en opnieuw. Het resultaat herinner ik me als een perfecte minestrone. Al kan het ook zijn dat we gewoon euforisch waren omdat we, ondanks de babyfoons, eindelijk rustig aan tafel konden.
Minestrone is altijd een gebeurtenis. Er gaan zoveel bonen, groenten en pastaschelpjes in, en hun som is altijd massaler dan je had verwacht. Het is uitdeelsoep, soep waaraan je iets beleeft. Soep waarmee je naar een vriendin fietst of die je opdringt aan de buurvrouw. Of soep waar je een week van eet. Zo komt het dat ik me haast al mijn minestrone’s gedetailleerd herinner: die ene die net wat te veel broccoli had, die andere met geroosterde tomaten (lekker), de dikke zomerminestrone die we aan de kleuters probeerden te slijten door te zeggen dat het pasta was (met succes). En nooit vergeet ik de megaminestrone die ik meenam naar een parkmarktje om gratis te verdelen – op een haar na werd ik gebulldozerd door een hongerige meute.
Die van het vakantiehuis was de enige perfecte. Maar eigenlijk hoort minestrone niet perfect te zijn. Ze hoort vol te zitten, een ode te zijn aan het seizoen, en een opkikker.
Voorts hoor je weleens strenge meningen over wat een minestrone is en wat niet. Het was lekkere soep maar het was geen échte minestrone. Een opvallend fenomeen bij bereidingen met een exotische naam. Niemand zal ooit beweren dat preisoep geen échte preisoep is, of gehaktbrood geen écht gehaktbrood.
Van minestrone mag elk zijn eigen definitie maken. De mooiste die ik ken, staat in het kookboek How to Cook a Wolf van M.F.K Fisher. ‘Waarschijnlijk de meest bevredigende soep ter wereld voor mensen die honger hebben, en ook voor mensen die moe of bezorgd of boos of blut of enigszins bezeerd zijn, of verliefd of kerngezond of verwikkeld in allerlei affaires,’ schrijft ze, ‘dat is minestrone.’

MINESTRONE VOOR ALTIJD
Voor een grote pot:
2 uien, 2 stengels selderij, 1 wortel, 3 tenen knoflook, allemaal fijngesneden
1 flinke handvol loof (paksoi, snijbiet, bietenloof, raapsteeltjes of spinazie)
1/2 koffielepel gerookt paprikapoeder
1/2 spitskool of broccoli
1 eetlepel tomatenpuree
1,5 l bouillon
1 stuk korst van parmezaan (als je het in huis hebt)
1 flinke handvol middelgrote pastavormpjes
ongeveer 200 g gekookte witte bonen (blik is oké)
Parmezaanse kaas en/of pesto
olijfolie, peper, zout
Lekkere extra groenten, naargelang het seizoen: venkel, courgette, verse tomaten, andijvie

1. Fruit de uien, selderij en wortel in een grote, zware pot in hete olijfolie. Temper na een halve minuut het vuur en voeg de knoflook, het paprikapoeder en een snuf zout toe (en naar wens nog extra kruiden zoals oregano, tijm, salie enzovoort). Laat alles zacht garen terwijl je de andere ingrediënten klaarmaakt.
2. Snijd de steeltjes van het loof los, hak ze fijn en voeg ze meteen toe aan het sudderende uienmengsel. Snipper de blaadjes en houd ze opzij. Snijd de kool of broccoli in kleine stukjes, en eventuele andere groenten die je straks wilt toevoegen.
3. Duw het uienmengsel wat opzij in de pan, voeg de tomatenpuree toe en laat hem een minuutje bakken.
4. Voeg de bouillon toe, samen met de kaaskorst. Breng aan de kook en voeg de pasta toe. Breng opnieuw aan de kook en voeg de bonen toe. Voeg, als de pasta bijna gaar is, één na één de andere groenten toe, met als laatste de blaadjes van het loof (telkens tussendoor opnieuw naar het kookpunt gaan).
5. Breng de soep op smaak met peper, zout en olijfolie. Serveer ze met in elke kom een eetlepel pesto en/of parmezaan.


Dit stukje verscheen eerder in de rubriek De Keukenprinses in De Standaard Magazine

blog 009

Voor zes uur ’s avonds puur plantaardig eten. Daarna eten wat je wilt. Dat is de simpele vuistregel genaamd Vegan Before 6.
Klinkt halfslachtig?
Halfslachtigheid wordt soms onderschat, vind ik. Neem nu al die gevallen waarin een radicale verbetering niet wil lukken. Dat is een halfslachtige verbetering toch interessant.

Het is misschien toffer om uit te pakken met de goede voornemens die je moeiteloos waarmaakt. Al jaren geen vliegvakanties meer. Een jaar geen nieuwe kleren gekocht. Hoe dieptragisch voor mij dat ik alleen een kookblog heb en dus niet uitvoerig verslag kan uitbrengen van die successen. Hier zou ik alleen kunnen schrijven: goed nieuws over mijn ruggengraat: ik heb een halfjaar geen kaas gegeten! Alleen zou het niet waar zijn. Ik krijg het niet voor mekaar. Ik betwijfel of het wel te rijmen valt met mijn werk als culinair journalist, maar ook als ik pakweg pianiste zou zijn, dan zou het misschien niet lukken.

Dus voel ik mij aangesproken door het idee van Vegan Before 6. Het komt van Mark Bittman, die ook culinair journalist is, voor de New York Times. Hij heeft er een boekje over geschreven.
Mark Bittman koos zijn vuistregel nadat hij tot de orde was geroepen door zijn dokter, die te veel voortekenen zag van een hartkwaal. De dokter zei: word veganist. Bittman dacht: lukt nooit, met mijn werk (en mijn eetlust). Hij gooide het op een akkoordje met zichzelf: tot het avondeten alleen plantaardig, ongeraffineerd eten, daarna vrijheid (vegan and unprocessed before 6 dus, maar dat bekt minder goed). Het werkte voor hem. Hij viel af, werd fitter en leerde zichzelf een heleboel gezonde gewoonten aan, die na zes uur ’s avonds niet zomaar verdwenen. Vegan Before 6 betekent namelijk niet dat je na zes uur zoveel mogelijk biefstuk in roomsaus moet eten.

Zelf probeerde ik het eind vorig jaar al een paar weken uit. Het was een plezierige uitdaging in de keuken en deed mij iets meer plannen, wat het evenwicht in ons eten doorgaans ten goede komt (zie ook: groentenabonnementen).
Daarna kwamen de feesten. Daarna had ik dringend een boek af te werken. Daarna ging ik drie weken op vakantie.
Nu begin ik opnieuw. Omdat het hier in mijn doordeweekse routine en kleine luie gewoontes nog wel een beetje plantaardiger en ongeraffineerder mag. De planeet draagt sinds mijn vakantie een paar kilo’s Dorien die op z’n vriendelijkst gezegd volstrekt misbaar zijn. Maar eigenlijk wil ik vooral de milieu-impact van mijn eten verkleinen.
Een gezond lijf op een gezonde planeet, dat ideaal. En voor morgen: een grote pot soep.

Witloofsoep met witte bonen
Voor een grote pot:
400 g gekookte witte bonen (ik kook ze graag zelf, maar je kunt ook blikbonen gebruiken)
2 kleine uien, gesnipperd
4 stronkjes witloof
ca. 1,5 l hete bouillon
zout, olijfolie
leuke extra voor de afwerking: een stronkje roodlof of radicchio

1. Verhit een laagje olie in een grote zware soeppot, roer er de uien door, temper het vuur en laat de uien zachtjes glazig worden terwijl je het witloof in dunne reepjes snijdt (de harde kern kun je ook gerbruiken). In dit stadium kun je ook wat tijm, rozemarijn, gerookt paprikapoeder of nog iets anders toevoegen aan de uien, maar als je goede bouillon hebt, is het niet nodig, vind ik.
2. Draai het vuur heter en roer het witloof door de uien. Temper na een halve minuut het vuur weer en laat de groenten samen minstens tien minuten garen, terwijl je af en toe roert. Proef van het witloof: als het lekker gaar is en een beetje zoet begint te smaken, voeg dan de bouillon en de bonen toe.
3. Breng de soep weer even naar het kookpunt. Laat hem minstens enkele minuten sudderen. Breng hem op smaak. Klaar.

Ik ben geen grote soepeter. Vroeger wel, elke dag, nu niet meer. Als ik soep maak, kan dat maar om twee redenen zijn. Ofwel zit ik met een reuzenpompoen of met honderd kilo tomaten in huis, en moeten die op. Dat is mij al een paar keer overkomen, ik kan daar dus intussen zeer lekkere soep van maken. Ofwel heb ik een soeprecept gevonden waarin eigenlijk een stoofpot schuilt: linzensoep of chowder, soep waar je je tanden in kunt zetten. Als ze maar niet te soepachtig is.
Maar als er ’s middags volk blijft eten, voel ik soms een drang in mij opkomen, iets met brave huisvrouwen, een warme keuken en goede zorg. Soepdrang. (meer…)

De herfst is geen feestelijke tijd. Maar wel wandelig. Vuurtjestokelijk. Sjaals. Het soepseizoen, dat ook.
Recepten voor soep zijn heel relatief. Je maakt ze naar smaak en volgens de grillen van de dag. Ik heb niet de indruk dat een ui meer of minder veel verschil maakt, en met het currypoeder in de pompoensoep komt het ook niet zo nauw. Roeren, proeven, zomaar een beetje doen. En dan is er alweer soep. (meer…)

Witlofsoep zal me altijd aan de laatste dagen van mijn oma doen denken. Oma lag in het ziekenhuis, opa bleef thuis achter. Ik overdacht een hele dag waarmee ik opa kon helpen en besloot dat het een bokaaltje soep zou worden. Klassieke, romige witlofsoep. Ik had ergens een restje kippenbouillon, ik had een receptje van de Vlam. Ik had nog nooit zoveel zorg in een simpele pot soep gestoken. En het resultaat was zo lekker, dat ik het durfde meenemen naar opa. (meer…)