Info

Dorien Knockaert

Ik schreef mijn Soepwetten aanvankelijk voor mijn pagina De Keukenprinses in De Standaard Magazine. In recordtempo. Doorgaans broed ik minstens een dag op dat rubriekje. Nu was dat niet mogelijk. Ik had ’s middags een afspraak in Gent en checkte mijn voicemail terwijl ik terug liep naar de auto. Mijn moeders stem voor moeilijk nieuws, niet onverwacht deze keer. Opa was al maanden ziek en ongelukkig, en zou de nacht niet meer halen. Iedereen zou vanavond samenkomen bij zijn bed.

Het was deadlinedag voor de Keukenprinses en in een koffiebar schreef ik nog snel een tekstje om te verhinderen dat de rubriek niet zou kunnen verschijnen (zou Opa ook maar niks gevonden hebben – hij was een van de trouwste lezers die De Standaard ooit had). Mijn hoofd was er niet bij, maar de soep zat kennelijk in mijn vingers, want jaren later sta ik nog altijd achter mijn Soepwetten. Ik nam ze ook op in De Moestuin van Mme Zsazsa, en ga ze nu verder uitwerken voor mijn volgende kookboek, met nog veel meer tips, soepwijsheid en natuurlijk recepten. In afwachting krijgen jullie ze hier nog eens in hun oorspronkelijke versie. Want het leven is te kort voor ook maar één pot saaie soep.

1. Een soeppot is geen vuilnisbak. Dat is mijn eerste soepwet. Het klinkt in feite evident. Maar jarenlang zag ik onze staafmixer als een nietsontziend superwapen om willekeurig bijeengegraaide, platgekookte groenteresten mee neer te knallen. In de onschuldige overtuiging dat er iets lekkers uit zou voorkomen. Altijd tevergeefs.
2. Soep is zo lekker als wat je erin steekt. Preisoep zal vezelig zijn, tenzij je je prei eerst een halfuur zachtjes stooft, tot je elk stukje tussen je vingers tot moes kunt knijpen. Melige bonen zullen melige bonensoep opleveren. Soep is geen plan B. Nee:
3. Soep, dat zijn groenten die zo machtig smaken dat je ze wel wat kunt aanlengen. Witloof dat eerst een halfuur gebraiseerd is met wat ui. Uiringen die drie kwartier in zacht pruttelende boter gewenteld zijn. Of een pompoenhelft die, ingesmeerd met olijfolie en chilipeper, een uur in de oven heeft liggen bakken. Eer iets nog in mijn soep mag, moet het eerst zo lekker zijn dat ik het ook wel als dusdanig zou willen opeten, met een glas wijn en een stuk brood. Enkel wanneer de zin in soep nog groter is, gaat er water bij. Of bouillon. Maar:
4. Gebruik alleen bouillon als het lekkere bouillon is. Bouillonblokjes die naar schoolkantine ruiken, zullen je soep naar schoolkantine doen ruiken. De lekkerste bouillon maak ik intussen zelf, niet door uren te sloven met kalfsbotten of kipkarkassen, maar door het kookwater van lekkere dingen (witte bonen, asperges, schorseneren) al tijdens het koken stevig te kruiden (met tijm, knoflook, venkelzaad, chilipeper, selderblad en/of peterseliesteeltjes) en het bij te houden tot de volgende keer dat ik soep maak.
5. Gun uw mond zijn plezier. Misschien wel de belangrijkste soepwet. Soep die je met een rietje kunt drinken, tja, dat is een drankje. Soep is pas eten als er pastaschelpjes, lente-uitjes, boerentenen, broodkorstjes of andere brokken in drijven. Want een mond wordt vreselijk teleurgesteld als er niets te vermalen, verpletteren en ontmantelen valt. Baldadig, zo’n mond, daar is niets aan te doen.
6. Soepwetten zijn ook maar relatief. Ik heb mensen met de grootste argeloosheid perfecte soep zien maken. Mensen die niet eens het schoolse fatsoen opbrachten om te beginnen met een gefruite ui. Mensen die gewoon water aan de kook brachten en er van alles in gooiden. Enkele jaren geleden ging ik in het zesde leerjaar van een basisschool koken met restjes en zag ik hoe elfjarige meisjes uit de losse pols verwelkte wortels en verpieterde courgettes tot een machtige soep verwerkten. Niemand vroeg naar de soepwetten.

Maar ik heb ze nodig gehad. Nooit meer groenten neerknallen. Nooit meer zuchten boven een dampend bord preiverdriet.

pastinaaksoep

Recept: soepkorstjes
Maak ineens een hele ovenlading, want soepkorstjes gaan lang mee en het is fijn om er bij de hand te hebben. Dat doe je zo:

1. Verwarm de oven voor tot 200°.
2. Snijd drie, vier sneden brood in blokjes. Neem een schoon bakblik en giet er enkele eetlepels olijfolie op. Strooi er enkele mespunten zout over en een vijftal draaien van de pepermolen. Je hebt nu een uitgedeinde, kruidige olieplas. Schep er de broodstukjes op, meng ze losjes met je handen en spreid ze uit over het bakblik. De bedoeling is dat aan elk stukje brood hier en daar wat olie hangt, zonder dat het brood zich vol zuigt met olie.
3. Steek de bakplaat in de oven en laat de korstjes bruinen. Idealiter haal je ze uit de oven op het moment dat ze aan de buitenkant krokant zijn, maar binnenin nog lichtjes veren.
4. Proef een korstje: hangt er genoeg zout en peper aan? Indien niet, kruid de korstjes dan bij.
5. Laat de korstjes volledig afkoelen, op de bakplaat of in een groot droog vergiet, alvorens je ze in een koekendoos of plastic bakje opbergt om ze te bewaren.

Varieer elke keer. Voeg behalve peper en zout ook eens gemalen korianderzaad, chilipoeder, gemalen komijn of je favoriete specerijen- of kruidenmix van het moment toe aan de olie waarin je de korstjes bakt.

Save

Save

Save

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Basic HTML is allowed. Your email address will not be published.

Subscribe to this comment feed via RSS